Huisdierendag
Vandaag is het Dierendag. Ik noem het liever Huisdierendag.
De dieren die vandaag een aai krijgen, kregen gisteren ook een aai. De andere dieren worden vandaag gewoon geslacht, afgeschoten of vergiftigd. Niemand heeft ze uitgenodigd voor de taart. Tegelijkertijd betekent dat dat de overige 364 dagen van het jaar Mensendag zijn. Ik zeg het zonder rancune. Mijn asfalt, baksteen en beton zijn ten koste van een eeuwenoud ecosysteem gebouwd, dus ik weet wat een stad een dier aandoet.
Mijn andere bewoners
Je kent ze al. De ratten en de duiven, die je ongedierte noemt zolang ze je iets kosten. De kauwen die mijn schoorstenen bewonen alsof ze de huur hebben betaald. Ik schreef er eerder over. Ze floreren in mijn straten en grachten, de mens ten spijt, of misschien dankzij hem. Dat laat ik in het midden. Een stad die voor mensen is gebouwd, blijkt ook een uitstekende stad voor wie meelift.
Vandaag gaat het over een van hen. ’s Mensen beste vriend.
De trouwe viervoeter
De hond is een raar wezen. Hij stamt af van een wolfachtige voorouder, een roofdier dat zijn eigen weg liep. Nu loopt hij de jouwe. Hij wacht voor de supermarkt en kijkt naar de deur. Hij is gefokt, gekortwiekt, gekleed en verfomfaaid tot een volger. Geen enkel ander dier heeft zich zo diep in het leven van mijn bewoners genesteld.
Ik neem voor lief wat hij kost. Hij claimt mijn parken. Hij besproeit elk boompje en elk paaltje, en soms laat hij zijn behoefte pontificaal midden op straat achter. Het zijn vieze gewoontes. Ik laat ze toe, want ik zie wat zij teruggeven.
Hij brengt mensen naar buiten. Wie een hond heeft, loopt elke dag, door weer en wind, langs dezelfde bomen en dezelfde gezichten. Hij brengt vreemden bij elkaar. Twee mensen die elkaar nooit zouden aanspreken, zakken door hun knieën voor dezelfde kop. Hij geeft troost. Hij maakt eenzaamheid draaglijk. Daarom ben ik blij dat hij mijn straten bevolkt.
Een stad op vier poten
Al die honden brengen mooie taferelen voort. Er zijn uitlaatservices die een dozijn honden in een wirwar van lijnen door mijn straten leiden. Er zijn hondenstroken waar ze eindelijk van de lijn af zijn en kunnen ravotten. Er zijn honden die achter de fiets aan hollen, honden die meewinkelen in mijn centrum en schoothondjes die in een ‘kinderwagen’ worden rondgereden, tot de oren ingepakt.
En dan zijn er de honden die werken. Ze begeleiden slechtzienden. Ze geven steun aan mensen met autisme of PTSS. Zij zijn het bewijs dat deze verhouding meer is dan een gewoonte. Zelfs het uiteindelijke afscheid biedt een waardevolle levensles. De relatie tussen mens en hond gaat dieper dan welke andere band met een dier dan ook. Of het is de mens die dat zo mooi heeft gevonden. En wie ben ik om daarover te oordelen?
Er is zelfs een Amsterdamse hond met een eigen column. Koos schrijft over zijn baas Theodor, die de hele dag zegt dat hij van hem houdt. Koos probeert te begrijpen wat dat is. Zijn voorlopige conclusie: ‘Is houden van constant aaien? Ik denk het.’ Hij merkt op dat mensen elkaar bijna nooit aaien. Hij vermoedt dat liefde een ritueel is, een hand op een vacht, en dat de magie alleen werkt voor wie erin gelooft. Je leest zijn column op Slordig leven. Ik ben het zelden zo eens geweest met een columnist.
Wat de hond hoort
Ik hou van mijn honden. Mijn honden houden van mij. Ze zijn van wilde rover tot stadsdier geworden, en ik denk soms dat ze het nog horen: the call of the wild.
Als de sirene door de Jordaan snijdt, tillen ze hun kop op en zingen mee. Ze hebben dat lied nooit geleerd. Ze kennen het alleen.