De gevederde vrienden
Ik weet dat ik als stad geen voorkeur mag uitspreken, geen lieveling mag verkiezen. Toch heeft er één van hen een heel warm plekje in mijn hart. Met hun helderblauwe ogen en nieuwsgierige aard zijn ze een onmisbaar onderdeel van wie ik ben. Ze horen bij mij.
Ze zijn uitermate trouw en lijken de hele dag met elkaar te converseren over van alles en nog wat. Hoewel ik hun taal niet versta, klinkt hun gebrabbel altijd vriendelijk. Ik zie ze in kleine groepen neerstrijken, druk in de weer met opruimen en organiseren. Jong en oud, groot en klein: ieder lijkt zijn eigen rol te hebben in het geheel.
Hun veren kleuren niet fel, maar dragen wel een warme glans waarin talloze subtiele schakeringen grijs en zwart verschijnen. Ze zien er altijd uiterst verzorgd uit en stralen een natuurlijk gevoel van eigenwaarde uit, zonder enige ijdelheid of pronkzucht.
Wat mij juist voor hen doet vallen tussen al die meer uitgesproken, elegante of schattigere stadsgenoten, is wellicht die bescheidenheid. Hun naaste verwanten zijn vaak uitbundiger of imposanter, maar ze lijken bewust niet mee te doen aan die competitie.
Ze blijven hun partner trouw tot de dood hen scheidt, niet vanwege een officieel contract of religieuze belofte, maar vanuit pragmatisme en een diepe sociale verbondenheid. Want hoe vol mogelijkheden mijn straten en daken voor hen ook zijn, de stad brengt ook gevaren met zich mee: roofdieren, opportunisten en de blinde haast van mijn andere bewoners.
Daarom hebben ze geleerd snel en behendig te zijn, altijd waakzaam. Bij dreiging zoeken ze driftig communicerend de hoogte op. Ze beschermen zichzelf én elkaar: ze wisselen informatie uit, maken plannen en verdelen de taken en de buit zodra er iets te halen valt. Hoe beperkt de stadsnatuur ook is, zij weten er optimaal gebruik van te maken.
Als de avond valt, verdwijnen ze net zo snel als ze kwamen. Onzichtbaar in de donkere nacht houden ze zich stil, tot de eerste streepjes zonlicht doorbreken. Terwijl mijn andere bewoners pas langzaam in beweging komen, scouten ze de straat al af. Een nieuwe dag biedt nieuwe kansen, en zij zijn de eersten die daar gebruik van maken.
Ze leven in mij met wederzijds respect, zonder mij te willen claimen. Ze houden me schoon en vragen er niets voor terug. En hoewel ze talrijk zijn, zijn ze nooit verstorend. Een prachtige symbiose: de stad en haar kauwen.
Terug naar het blog →Over IDF →