Amsterdam van de kaart
I amsterdam prijkte er, in massieve rood-witte letters op mijn Museumplein. Toeristen beklommen ze, balanceerden op de rug van de ‘d’, zoenden voor de ‘m’, maakten selfies en deden huwelijksaanzoeken. Tot op een kille ochtend in december 2018 twee opleggers voorreden. Ze werden losgeschroefd, opgetakeld en afgevoerd. Te individualistisch, oordeelde de raad. Schadelijk voor mijn reputatie als baken van pluriformiteit en verbinding.
Diezelfde middag nog zette kunstenares Pauline Wiersema op exact dezelfde plek drie nieuwe letters neer: HUH. Een universeel geluid van onbegrip, noemde ze het, bedoeld om de leegte draaglijker te maken. Ze had gelijk over de leegte; ze vergiste zich in de troost.
Want wie denkt dat je de werkelijkheid verandert door haar uithangbord met een kraanwagen weg te takelen, begrijpt niets van hoe tekens werken. De weg naar de leegte is geplaveid met allerbeste bedoelingen. Men zocht universele deugd, maar hield een kale zandbak over.
Een claim op het ongeordende
Die verdwenen letters waren niets minder dan mijn naam op een kaart. Een poging om een levend, woekerend organisme samen te vatten in een handzaam lettertype. Precies zoals cartografen dat al eeuwen doen: de werkelijkheid temmen door er vakjes omheen te tekenen, lijnen te trekken, kleuren toe te wijzen en een legenda aan te plakken.
Ik ben opgegroeid onder het oog van kaartenmakers. Toen er nog slechts een paar houten hutten langs de modderige Amstel stonden, werd ik al geregistreerd, gekadastreerd en ingepast. Men denkt graag dat een kaart een objectieve versimpeling van de werkelijkheid is, een onschuldig hulpmiddel voor wie de weg zoekt. Maar een kaart is nooit neutraal. Ze vereenvoudigt niet, ze objectiveert. Ze dwingt een levend landschap in een raster van eigendom en toezicht. Een kaart beschrijft het gebied niet, ze legt er beslag op.
De prijs van rechte hoeken
Dat wisten ze in de zestiende eeuw al. Toen Gerardus Mercator in 1569 zijn wereldkaart tekende, deed hij dat met een zuiver praktisch doel: zeelieden helpen navigeren. Met kaarsrechte lengte- en breedtegraden konden stuurlieden met een liniaal hun kompasrichting uitzetten. Een briljante wiskundige ingreep, maar met een gigantische prijs. Hoe verder een landmassa van de evenaar lag, hoe kolossaler ze werd opgeblazen. Groenland leek op papier even reusachtig als heel Afrika, terwijl het Afrikaanse continent in werkelijkheid ruim veertien keer zo groot is.
“Geen politieke kwestie,” verklaarde de Togolese minister van Buitenlandse Zaken haastig, “maar een wetenschappelijke correctie.”
Alsof cartografie ooit puur wetenschappelijk is geweest. De wens om de wereld ‘eerlijk’ af te beelden is net zo politiek als de wens om haar met een kompas te veroveren. Elke projectie kiest haar eigen centrum.
De negende avenue
Niemand ontsnapt immers aan zijn eigen standpunt. Op de cover van The New Yorker van 29 maart 1976 tekende Saul Steinberg zijn beroemde View of the World from 9th Avenue. De voorgrond toont Manhattan met minutieuze precisie: elke stoeptegel, elke brandtrap, elke voorbijganger haarscherp. Daarachter ligt een dorre, naamloze vlakte met een paar willekeurige stippen voor Chicago en Kansas City. En ergens ver achter de Stille Oceaan schemeren vage contouren van China en Rusland.
Het was bedoeld als satire op New Yorks provincialisme, maar het is misschien wel de eerlijkste kaart ooit gemaakt. Iedereen kijkt vanaf zijn eigen Negende Avenue. De gemeenteraad die in 2018 de rood-witte letters wegstemde, keek net zo parochiaal naar het Museumplein als Steinberg naar de Hudson: overtuigd dat de eigen morele stoeptegel het centrum van het universum vormt. De grenzen van ons begrip liggen niet vast in een officiële legenda; ze liggen vast in de ooghoeken van wie er kijkt.
Eerst de landmeter, dan het hek
En daar schuilt het werkelijke gevaar van elke getrokken lijn. Een kaart blijft nooit op papier.
In Harvest, de verfilming van Athina Rachel Tsangari naar de roman van Jim Crace, arriveert een buitenstaander met meetinstrumenten in een vredig, naamloos dorp. Hij noteert, meet afstanden en zet piketpaaltjes in de gemeenschappelijke weide. Zeven dagen later is de eeuwenoude meent omheind. De grond is privaat bezit geworden, de akkers zijn verdeeld, en de dorpelingen zijn plotseling vreemdelingen en dagloners op de aarde waar hun voorouders begraven liggen.
De landmeter komt altijd vóór de omheining. Eerst de lijn in de atlas, daarna de prikkeldraadversperring. Eerst de spreadsheet, daarna de uithuiszetting. Dat is de diepste functie van cartografie: het is niet de weergave van een grens, maar de administratieve handeling die haar instelt en rechtvaardigt.
Het portret verraadt de maker
Kijk naar mij. Mijn grachten zijn geen natuurverschijnsel; het zijn de meetkundige groeiringen van zeventiende-eeuwse speculanten en regenten. Mijn kaarsrechte singels en negentiende-eeuwse gordels zijn gecodeerde ambities van stadsplanners.
Zoals een geschilderd portret altijd meer verraadt over de schilder dan over de geportretteerde, zo verraadt elke kaart van mij de tijdgeest van haar tekenaar. De letters op het Museumplein zeiden in 2004 niets over wie ik was; ze toonden wie de citymarketeers hoopten dat ik zou zijn. De gapende leegte die na 2018 achterbleef, toonde niets over diversiteit; ze toonde de verlegenheid van bestuurders die denken dat je een probleem oplost door de beeltenis ervan te verbieden. En de resolutie die de VN deze week aannam, vertelt ons minder over de fysieke aarde dan over een wereldorde die in 2026 wankelt op haar oude koloniale fundamenten.
Grenzen op papier zijn snel getrokken en letters zijn gauw weggetakeld. Maar het ongemakkelijke besef dat een plek nooit helemaal samenvalt met wat je erover beweert, dat laat zich in geen enkele legenda vangen.
Huh, inderdaad.
Terug naar het blog →Over IDF →