Stomheid

Unknown pleasures

Muziek als de stem van de stad

Amsterdam

Voordat er een kerk stond, was er een kreet. Iemand riep over het water, een ander riep terug. Daarna kwamen het gelach en het geruzie en het gemurmel van mensen die elkaar nog moesten leren kennen. Alles wat later cultuur heette, begon als lawaai dat toevallig terugkwam.

Ik heb het allemaal bewaard. Het bedronken gezang uit de herbergen, valser dan een kerkklok in de vorst. De psalmen die in mijn kerken de gewelven in gingen. Het gezang bij bruiloften, bij begrafenissen, bij het binnenhalen van een kampioenschap en bij het begraven van een illusie. Ik heb nooit mogen meezingen. Ik ben alleen de zaal.

Wat een lied doet

Een lied doet iets wat een betoog niet kan. Het jaagt de angst weg zonder haar te weerleggen. Het maakt strijdbaar wie moe was, en stil wie te veel te zeggen had. Honderd mensen die dezelfde regel zingen, worden even één mond. Ze weten dat zelf niet. Ik wel, want ik heb die honderd mensen daarna naar huis zien lopen. Ze liepen anders dan ze gekomen waren.

De socioloog Émile Durkheim noemde dat ooit collectieve opwinding, het moment waarop een groep zichzelf als iets groters ervaart. Hij zocht de oorsprong van religie daar, niet in een leerstelling. Ik heb geen socioloog nodig om dat te zien. Ik zie het elke zaterdagavond.

De nieuwe liturgie

Nu loop ik vol. De Ziggo Dome, de ArenA, de zalen die ooit voor concerten van vijfhonderd mensen bedoeld waren. Tienduizenden staan met hun telefoon in de lucht en zingen mee met een melodie van vier noten en een tekst van twee regels. Uit volle borst, zonder schaamte, zonder partituur.

Ik heb dit eerder gezien. In 2004 stond een hele stad in mijn stadion om afscheid te nemen van een zanger uit de Pijp. Niemand las een preek voor. Ze zongen zijn liedjes, en dat was genoeg.

Is popmuziek de nieuwe religieuze ervaring? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat de mensen ernaartoe gaan zoals ze vroeger naar de kerk gingen. Ze komen vroeg, ze staan lang en ze gaan met een licht gevoel weer weg.

Apollo schrijft, Dionysos speelt

Nietzsche zag in zijn eerste boek, Die Geburt der Tragödie, twee krachten in de mens. Apollo is de vorm, de orde, het droombeeld. Dionysos is de roes, de ontlading, het opgaan in de massa. De grote kunst, meende hij, ontstaat waar die twee elkaar de hand geven. Het vormloze krijgt een gedaante en de gedaante krijgt weer adem.

Neem een lied. Het ontstaat apollinisch, in een kamer, aan een tafel, met een potlood en veel doorhalingen. Dat is vakwerk. Het wordt dionysisch op het podium, wanneer de zaal het overneemt en het lied niet meer van de maker is. De goede artiest weet beide. De slechte is alleen het een of het ander: een boekhouder of een brandstichter.

Waarschuwing

Nietzsche liet in 1882 een dolle man op de markt roepen dat God dood was. Hij liet hem ook zeggen: wij hebben hem gedood. Dat was geen gejuich. Het was een waarschuwing, en het meeste is ervan gekomen wat erin stond. Wat de plaats van de kerk innam, bleek kouder dan de kerk.

Ik zie het aan de kunst. Zij kijkt steeds vaker naar zichzelf. L’art pour l’art was ooit een bevrijding. Nu is het een spiegelzaal. Aan de andere kant krijgt ze een nieuwe pastoor: de zedenmeester die bepaalt wat gezegd, getoond en bezongen mag worden. Ik geef toe dat kunst nooit zonder toezicht heeft bestaan. Mijn eigen kerken kregen in 1578 de witkalk, toen de beelden eruit gingen en de muren leeg werden. Dat deed de Alteratie, en ik was er bij. Elke eeuw heeft zijn beeldenstormers en in elke eeuw noemen ze zichzelf deugdzaam.

Toch mis ik iets. De kerk had beelden, schilderijen en het gekleurde licht dat door het glas-in-lood viel. Wat er van over is, verdient nog altijd een kaarsje. Het hielp mensen om te vergeten dat ze alleen waren. Nu is het een lichtshow met projecties. Het is een andere taal, maar ik begrijp haar. Het doel is hetzelfde: mensen even boven zichzelf uit tillen.

Wat ik vraag

Als popmuziek dan het laatste is wat nog werkt, laat het dan met rust. Niet door de zalen leeg te maken, maar door ze nergens voor in te zetten. Een zaal vol mensen die zingen is geen aanwezigheid die je kunt claimen. Het is geen publiek voor een boodschap, politiek niet en religieus ook niet. Het is een verbinding die niemand heeft ontworpen, en daarom is zij zo kwetsbaar.

Ik vraag het niet voor mezelf. Ik vraag het voor wie nog gewoon wil zingen.

Ik heb geen stem. Ik heb muren, gewelven en water, en wat daarin klinkt, klinkt langer dan wie het zong.

Misschien is dat mijn manier van zingen: ik houd de klank vast.

Recente berichten

Hoor het ook eens van een ander...

Je eigen geest is een illusieWhat Nietzsche Really Meant: The Apollonian and the DionysianThe Singing Savage: Giorgio Agamben en de paradox van het zingenJames Hetfield: “Metallica is not here to influence you with any bulls**t”