Briefje van Jan

Grid De dozen

De stad des doos

Amsterdam

Er lag van de week een briefje op mijn stoep. Geen keurige mail, geen officiële inspraaknota, maar een verfrommeld velletje papier. Getyped, notabene. Geschreven door Jan, die zijn ogen de kost geeft en zijn mening niet onder stoelen of banken schuift. Hij wilde wat kwijt aan mij. Ik geef hem hier het onversneden woord:


Hé Mokum,

Ik denk dat ik je voortaan maar de stad van de duizend-en-één dozen ga noemen. Jemig, het stikt ervan. Ik zie ze echt overal: in de bussen, op de bakfietsen, in van die kekke wagentjes door de straten sjezen. Ze zitten in je scholen, je kantoren, je supermarkten, in de huizen en laten we eerlijk wezen: zelfs op je stadhuis heb je er een heel zooitje van zitten.

Er zijn dikke, dunne, kleine, mooie, oude en spuuglelijke dozen. Ze komen in alle kleuren, soorten en maten. Sommige hebben een strakke, nette vorm, keurig in de plooi. Andere bulken aan alle kanten uit of zijn al voor de helft verzakt. Laatst hoorde ik op straat zelfs over “de blije doos”. Wat mij altijd overkomt als een misplaatste grap, maar dat zal wel aan mij liggen.

Die dozen schuiven maar wat heen en weer over je plaveisel. Er wordt aan de lopende band van alles in gestopt en er komt van alles uit. Iedereen lijkt ze zomaar te mogen gebruiken, en die dozen zelf lijken er totaal geen moeite mee te hebben. Ze vinden het allang best. Ik denk haast dat ze zelf geloven dat ze iets nobels doen, de wereld redden of zo, en daarom maakt het ze geen donder uit wát er precies in wordt gestopt.

Zelfs in die ouwe verhalen lees ik erover. Over die ene Griekse meid, Pandora, die er eentje had die vooral potdicht had moeten blijven. Maar nee hoor, ze moest ’m open doen en meteen zat de hele mensheid met de gebakken peren. En over die geleerde mafkees: wie stopt er nou een poes in een doos en gaat dan zitten wachten tot hij weet of die poes nog leeft of niet?

Dag in, dag uit zie ik een grote zooi dozen de stad binnenkomen en een even grote zooi dozen de stad weer verlaten. Ze komen uit de provincie, uit verre landen, en vertrekken weer als ze klaar zijn. Het is een hele bedoening. Ik word er een beetje tureluurs van als ik er te lang over nadenk.

Maar uiteindelijk kunnen die dozen het zelf misschien niet eens helpen. Er wordt van alles in gestopt en ze zijn gewoon te makkelijk, te naïef om voor zichzelf op te staan. Ze laten zich willoos vervoeren, gaan met andere dozen mee, hobbelen achter de stoet aan tot ze op zijn. Dan zitten ze volgestampt met troep, worden ze in een koud achterkamertje gezet, en kijkt er geen hond meer naar om. Dan hebben de slinkse rakkers hun slag al geslagen en de buit binnen.

Dus ouwe stad, zeg het die meiden en dat grut van je: wees geen doos. Laat je niet volstoppen met andermans rotzooi. Wees geen willoze drager van ideeën die niet van jou zijn. Zorg dat je zelf de baas blijft over wat erin gaat en wat eruit komt.

Hou je haaks,

Jan


Ik heb het briefje twee keer gelezen en weer opgevouwen.

Jan praat wat plat, een knipoog die schuurt, en een taal waarin de dubbele bodem nooit ver weg is. Maar wie goed luistert, hoort geen gekanker van een oude man. Hij hoort een waarschuwing. Een stad vol dozen die zich door iedereen laten volstouwen met leuzen en dogma’s, houdt uiteindelijk niets van zichzelf over dan oud papier.

Recente berichten

Hoor het ook eens van een ander...

Wat betekent ‘doos’ in de Amsterdamse volksmond?Pandora's doosSchrödingers katBriefje van Jan aan de dierenpoezen