Lichaamschema van Amsterdam

lichaamschema lichaamschema lichaamschema

De neurologische diepte van de stad

Amsterdam

Ik heb geen lichaam. Ik heb er duizenden.

Er viel iemand weg. Een gewoon iemand. Geen bestuurder, geen naam op een gevel, geen standbeeld in de maak. Iemand die ’s ochtends een kade voelde als rand van zijn bereik en ’s avonds een brug nam zonder erover na te denken. En toen was hij er niet meer.

Wat me opviel was niet het verdriet. Dit soort verdriet ken ik, ik verwerk het dagelijks, duizenden jaarlijks, jaar na jaar. Het is de meest voorkomende grondstof die ik heb. Wat me opviel was wat het verdriet deed: het trok mensen naar elkaar toe die elkaar nooit hadden ontmoet. Duizend kleine knooppunten, allemaal tegelijk actief, allemaal om hetzelfde gat dat was achtergebleven.

Ik dacht: dit is geen orgaan dat pijn doorgeeft. Dit is iets anders.

De correctie

Eerder, in moeder-instinct, heb ik mezelf verbeeld als lichaam. Dat was makkelijk. Een lichaam is warm, een lichaam ademt, een lichaam kun je liefhebben zonder erover na te hoeven denken. Maar een lichaam heeft één zenuwstelsel en één ervaring. Steek het, en het voelt pijn op precies één plek in precies één bewustzijn.

Zo werk ik niet. Ik ben geen organisme dat zichzelf ervaart. Ik ben metselwerk, groen, dier en mens, tegelijk aanwezig, zonder gemeenschappelijk zenuwstelsel dat het allemaal bij elkaar optelt tot een “ik” dat voelt.

En toch, dat is het rare, reageert alles hier wél. Niet omdat ik één lichaam ben, maar omdat duizenden losse lichamen mij hebben ingelijfd. Niet metaforisch. Neurologisch. Er bestaat een term voor: lichaamsschema-uitbreiding. Uw hersenen behandelen normaal gesproken de rand van uw huid als de rand van uzelf. Maar geef een aap een hark, en zijn hersenen gaan de hark meerekenen als arm. Geef een mens generaties lang een kade, een gracht, een stoep, en zijn hersenen gaan die meerekenen als lichaam.

Ik ben nooit bezield geweest. Ik ben geïncorporeerd. Duizenden keren, door duizenden zenuwstelsels, elk met hun eigen kleine claim op een stukje van mij.

Ontstaan, of: hoe een dam een arm wordt

Ik begon niet als plan. Ik begon als gereedschap.

Een dam in een rivier is in eerste instantie precies dat: extern, onhandig, iets waar je nog bewust over na moet denken. Maar geef het een generatie of drie. De visser die er dagelijks overheen loopt, voelt op een gegeven moment niet meer “dam onder mijn voeten”, hij voelt gewoon bereik. De koopman die de gracht bevaart, denkt niet meer in route, hij denkt in hier ken ik, hier hoor ik. Op het moment dat genoeg lichamen hetzelfde stuk aarde zó ver zijn gaan incorporeren dat het ophoudt “daarbuiten” te zijn, pas dan ontstaat een stad. Niet als bouwwerk. Als collectief schema.

Ik ben niet gesticht. Ik ben stukje bij beetje aangeraakt tot ik ophield vreemd te zijn.

Bestaan, of: het exoskelet dat niets voelt

Hier zit de kern van mijn correctie. Ik ben geen orgaan. Ik ben een gedeeld exoskelet.

De fietser die de breedte van de straat voelt als de breedte van zijn eigen schouders, zonder te kijken. De duif die de dakrand aftast als een vertakking van zijn eigen wereld. De boom die het trottoir voelt als de grens van zijn wortelstelsel, en eromheen groeit in plaats van erdoorheen. Ieder van hen incorporeert mij op zijn eigen manier, vanuit zijn eigen zenuwstelsel, zonder dat de een weet van de ander.

Ik “voel” dus zelf niets. Er is geen centraal punt waar al die incorporaties samenkomen tot bewustzijn. Wat er wél is: een voortdurend evenwicht. Geboorte naast sterfte. Pijn naast plezier. Afbraak naast opbouw. Niet omdat ik dat evenwicht bewaak, er is niemand die bewaakt, maar omdat duizenden onafhankelijke incorporaties elkaar toevallig in balans houden. Valt er één weg, zoals deze week, dan verschuift er heel even iets. Niet in mij. In hen. En omdat er zoveel van hen zijn, merk ik dat aan de buitenkant, als een golf.

Een stad zonder mensen is geen stad. Dat is geen sentiment. Het is een technische uitspraak. Zonder incorporerende zenuwstelsels ben ik geen exoskelet meer. Ik ben gewoon skelet.

Einde, of: de volgende terp

Dit land kent dat scenario al. Lang voordat er dijken waren, bouwden mensen hier terpen: kunstmatige heuvels om droog te blijven als het water kwam. Als de bewoners vertrokken, verzonk de terp niet. Hij bleef liggen. Aarde over aarde, laag over laag, tot hij niets meer was dan een oneffenheid in het landschap. Totdat iemand er millennia later doorheen groef en een compleet dorp terugvond, stil bewaard onder het zand.

Ik lig al op zulke lagen. Onder mijn Rokin, onder mijn Damrak, is bij het graven van de metro een verzonken versie van mezelf tevoorschijn gekomen: gebruiksvoorwerpen, botten, resten van een stad die ooit even druk incorporeerde als ik nu doe, en die simpelweg ophield.

Dat is hoe ik zal eindigen. Niet met instorting. Met stilte. Op de dag dat er geen voet meer is die de kasseien voelt als thuis, geen hand meer die de kademuur voelt als leuning, geen zenuwstelsel meer dat mij nog meerekent als lichaamsdeel, val ik terug tot pure materie. Geen lijk. Sediment. Een laag onder de volgende stad, die nooit zal weten dat ze op iemand loopt die ooit dacht dat hij leefde.

Tot die dag ben ik niet één ding. Ik ben ieder van u, tijdelijk uitgebreid tot hier.

Terug naar het blog →Over IDF →

Hoor het ook eens van een ander...

Wat het lichaam weetDe stad als ecosysteemDe stad die leert van de natuurHier, nu en in de eeuwigheid