De vinken van Babel
Een excentrieke Engelsman verzamelde ooit vogelhuidjes op een handvol eilanden voor de kust van Zuid-Amerika, zonder al te veel notie van welk huidje van welk eiland kwam. Pas thuis, uitgespreid op tafel bij een vakbroeder die er wél verstand van had, bleek het patroon: elk eiland zijn eigen snavel, elke snavel zijn eigen kostje. Uit dat late inzicht groeide een conclusie die pas jaren later goed werd verteld, en toen des te overtuigender: geen god had al die varianten bedacht. Een drang tot overleven had ze gevormd, eiland voor eiland, generatie voor generatie.
Ook in mijn contreien werd dit ontvangen met de gebruikelijke, half religieuze vijandigheid. Weer een deuk in de hoogmoed. De aarde was al geen schijf meer, had haar plek als middelpunt van het universum al verloren, en nu werd ook nog de creativiteit van de Schepper in twijfel getrokken. Men was dit gewend, en toch deed elke klap opnieuw pijn.
De nieuwe kerk
God is intussen aardig vergeten. Op zijn troon zit nu diversiteit, met gelijkheid als trouwe misdienaar. Individualiteit dient als bewijs van inwisselbaarheid. Geen persoonlijkheden meer, maar unieke mixen, samengesteld met als enig doel het aantonen van een gemeenschappelijke deler. We zijn allemaal een beetje anders, wat feitelijk betekent: we zijn allemaal hetzelfde, zo fel mogelijk ingekleurd aan de buitenkant om de leegte vanbinnen te verhullen.
Ik zeg dit niet om diversiteit te kleineren. Een stad zonder verschil is een wachtkamer, geen stad. Maar er is een verschil tussen verschil dat ontstaat en verschil dat wordt opgelegd als geloofsartikel. Het een is leven. Het ander is decor.
De toren, omgekeerd
Bij het woord diversiteit denk ik onwillekeurig aan de mens die de hemel wilde bestormen met een geweldig bouwwerk. In het oorspronkelijke verhaal loopt dat bouwwerk vast omdat er ineens nieuwe talen ontstaan tussen de bouwers, tot niemand elkaar nog verstaat. Straf als taalverwarring.
In mijn straten klinkt het omgekeerde verhaal. Meer dan honderdtachtig nationaliteiten wonen hier, naast en door elkaar. Wie per nationaliteit ook nog de talen en tongvallen erbinnen zou tellen, komt op een veelvoud daarvan uit. Om elkaar nog te kunnen verstaan, is een soort gecomprimeerd babytaaltje ontstaan; men leert al snel precies genoeg woorden om verdere vragen te laten verstommen, zoals men in elke vreemde taal als eerste zin leert zeggen dat men die taal niet spreekt. Niet Babel als straf voor hoogmoed, maar Babel als permanente staat en niemand die er nog raar van opkijkt.
Een religie die niets vraagt
In deze nieuwe kerk wordt niets van je gevraagd. Geen tien geboden, geen vastenperiode, geen enkele vorm van aanpassing. Die zou immers een blasfemische aanslag zijn op het toch al kunstmatig in stand gehouden huwelijk tussen diversiteit en gelijkheid. Je mag komen zoals je bent en blijven zoals je was. De vraag is alleen hoe je een stad bouwt met mensen die niets van elkaar hoeven te vragen.
Neem een soep. Doe er heel veel ingrediënten in, en gebruik van elk precies evenveel. Geen enkele smaak krijgt de kans zich te onderscheiden, want dat zou oneerlijk zijn tegenover de andere smaken. Het resultaat is geen rijke soep. Het is een smakeloze brei, warm gehouden met de beste bedoelingen.
Wat gelijkheid voor mij wel is
Voor mij zijn al mijn inwoners gelijk. Niet omdat ik ze kunstmatig gelijk stel, maar omdat gelijkheid hier geen waardeoordeel is, het is een matter of fact. Ze zijn onderdeel van de stad, punt. Achtergrond, cultuur, ideeën, gedrag: niets daarvan maakt de ene inwoner meer gelijk dan de andere, precies zoals niets daarvan een ander minder gelijk maakt. Een stad is in de eerste plaats een fysieke ruimte waarin mensen ruimte innemen. Wie hier woont, past zich aan de omgeving aan om te overleven, zoals dat overal en altijd is gegaan. Dat is geen verlies van identiteit, dat is de prijs van ergens wonen.
Terug naar de vinken
Die diversiteit van de vinken op de Galápagos is geen bewijs dat diversiteit een beginsel is. Ze is een gevolg, en ze heeft een functie: elk eiland zijn eigen niche, elke snavel zijn eigen antwoord op een probleem dat het eiland stelde. Zet je diezelfde vinken kunstmatig bij elkaar op één eiland, dan verdwijnt die diversiteit vanzelf weer niet omdat iemand het verbiedt, maar omdat het probleem dat de verschillen nodig maakte, is opgehouden te bestaan.
Wie diversiteit kunstmatig probeert te bewaren, houdt dus geen principe in stand. Hij houdt een momentopname in stand, met kunstmatige middelen, tegen de richting van de rivier in. Dat is nooit stabiel gebleken. Het is alleen een kwestie van tijd voordat de rivier wint.
De vinken wisten dat instinctief. Wij hebben er een religie van gemaakt, en doen nu net of geloven hetzelfde is als weten.
Terug naar het blog →Over IDF →