Verre oorden
Ik mag dan de hoofdstad der Nederlanden zijn, in omvang blijf ik bescheiden. Mijn straten kunnen niet in de schaduw staan van die van Parijs, mijn pleinen verdwijnen in de adem van Londen en naast de onmetelijke wereldsteden ben ik nauwelijks meer dan een dorp met grootspraak. Toch kent men mij overal. Niet noodzakelijk mijn ligging, zelden mijn taal, maar wel mijn naam. Ik besta in het buitenland als een soort legende, half herinnering, half verlangen.
En zelfs binnen mijn eigen grenzen bestaan verre oorden.
Plaatsen waarvoor men proviand inpakt, de agenda vrijmaakt en zich geestelijk voorbereidt alsof een expeditie wacht voorbij de stadsrand, terwijl men nog altijd binnen mijn gemeentegrenzen verkeert.
De afvalput
Het eerste oord is het afvalpunt.
Daarheen trekt de burger wanneer hij, vervuld van goede bedoelingen, afscheid wil nemen van een opgedroogd verfblik, een lekkende batterij of een half vergane tl-buis die al jaren achter in een kast lag te verstoffen. De reis voert langs omleidingen, industrieterreinen en wegen die lijken ontworpen om de bezoeker langzaam van zijn voornemen te genezen. Uiteindelijk verschijnt achter staal en beton het inferno zelf: een vesting van hekken, waarschuwingssymbolen en wettelijke voorschriften waarin de mens zich kleiner voelt dan het afval dat hij draagt.
Tussen dampende containers en de geur van chemische resten schuifelt men vooruit als een schuldbewuste pelgrim. Overal hangen instructies die tegelijk dreigen en ontmoedigen. Hier wordt het probleem niet opgelost maar verbannen, onbereikbaar gemaakt, zodat deugdzaamheid vanzelf een uitputtingsslag wordt.
Het voorportaal van het Fietsdepot
Niet minder angstaanjagend is het voorportaal van het Fietsdepot.
Menigeen vraagt zich af waar fietsen heengaan wanneer zij door mijn bestuur ongewenst worden verklaard, wanneer zij per ongeluk het zicht van de heilige toerist verstoren of het decor van de ansichtkaart ontsieren. Daar liggen zij bijeen: ongewenst verklaarde vehikels, verbannen uit het straatbeeld alsof zij misdadigers waren.
Het terrein strekt zich uit als een Boschiaanse hel van staal. Fietsen klonteren samen tot bergen van frames en sturen, een zee van kettingen en kromme wielen die schitteren in de zon als schubben van een slapend monster. Hier wachten zij op hun lotsbeschikking.
En telkens wanneer de zware poort piepend openschuift, daalt er een geladen stilte neer over het veld. Dan leeft er onder de wrakken een sprankje hoop op dat misschien, heel misschien, een eigenaar is teruggekeerd. Iemand die zich niet heeft laten afschrikken door formulieren, boetes en openingstijden. Iemand die bereid bleek zijn boetedoening te volbrengen om zijn rijwiel uit het voorgeborchte terug te halen.
Het kerkhof der pakketjes
Het derde oord is het kerkhof der pakketjes.
Daar eindigen de bestellingen die nergens werden aangenomen, verstoten door gesloten dependances en verlaten door morsige telecomwinkels waar normaal alles verkocht wordt en iedereen welkom lijkt. Nu blijven de rolluiken gesloten, de telefoon zwijgt en achter stoffige ramen hopen vergeten dozen zich op als onbegraven lichamen.
Alleen mijn moedigste bewoners wagen zich aan de tocht.
Hun route voert langs rokende monsters van de zware industrie, waar vrachtwagens regeren en de menselijke maat spoorloos is verdwenen. Door regen en tegenwind trekken zij voort naar de uithoek waar hun bezit gevangen wordt gehouden. Uiteindelijk ontmoeten zij de grote controleur: meestal een schichtige adolescent, nauwelijks ouder dan het pakket zelf, die met zichtbare nervositeit een identiteitsbewijs bestudeert alsof hij vreest persoonlijk verantwoordelijk te worden gehouden voor de beproeving die de reiziger heeft doorstaan.
En wanneer de doos uiteindelijk wordt overhandigd, gebeurt dit zonder triomf. Slechts met de stille opluchting van iemand die terugkeert uit een gebied waar men liever niet opnieuw komt.
Slot
Zo bezit zelfs ik als kleine stad mijn verre oorden.
Niet de exotische bestemmingen van kaartenmakers en ontdekkingsreizigers, maar de verborgen uithoeken waar bureaucratie, logistiek en bestuur samenkomen in landschappen die iedere afstand groter maken dan deze in werkelijkheid is. Plaatsen die men alleen bezoekt uit noodzaak, en waarheen geen mens ooit vrijwillig terugverlangt.
Terug naar het blog → Over IDF →