Tropendagen
De zomerhitte legt een zware deken over mijn daken heen,
De zon staat te bakken op elke bakkeljauwse steen.
Zelfs ‘s avonds blijft die hitte tussen m’n gevels staan.
Ik kraak in m’n voegen, niet gebouwd om hiermee om te gaan.
Mijn bruggen zetten uit, dus die worden natgespoten.
Het asfalt smelt als boter, de mussen zijn uitgevloten.
Rubbertegels van speelplaatsen gloeien voor een vuurloop.
De grachten dampen traag als een pot hete stroop.
Het vuilnis op mijn kades walmt in de zon,
En de stank van rotting waait over menig balkon.
Maar ik ben het niet die als eerste bezwijkt,
Nee, ‘t is de mensheid die hier totaal de kluts kwijtraakt!
Shakespeare had die Puck, en die sprak wat ik zie:
“Lord, what fools these mortals be!”
Langzaam gegaard als groene kikkers in de pan,
Gebakken lucht verkopen zolang het nog kan.
Daar ligt de eerste toerist al te grillen in mijn gras,
Zes uur lang halfnaakt zweten, da’s pas eerste klas!
Daarvoor vlieg je duizenden kilometers door de lucht,
Om rood als een kreeft te eindigen met een diepe zucht.
Ze springen in mijn grachten alsof het een bergmeer is,
Tussen de ratten, de bacteriën en een dode vis.
Geen erg in de rondvaartboot die daar de hoek om scheurt,
Of de stroom, de dikke boete die je portemonnee leegbeurt.
Ze stappen blind het fietspad op, in trance van hun mobiel,
Denken dat een Swapfiets remt voor een dwaas of slemiel.
En na een kratje lauw bier het IJ op in een lekke boot,
Totdat de beroepsvaart toetert en ze schrikken zich dood:
“Hé eikel, opzij, dit is geen pretpark op het water!
Dit is een drukke vaarweg, dat geeft een hoop gekater!”
Die hitte maakt geen mens hier ook maar een haartje wijs,
Het smelt de grijze cellen, het verstand betaalt de prijs.
Dat is de midzomerdroom van deze gekke tijd:
De zon vertelt je sprookjes over totale vrijheid.
Dat regels niet bestaan en het water altijd koelt,
En dat de hele stad voor jouw plezier is bedoeld.
Ik kijk er meewarig naar, al een paar honderd jaar,
Die gekheid op de grachten, ik ben er nooit mee klaar.
Als de avond eindelijk een beetje koelte geeft,
En de Amsterdammer weer z’n eigen ritme leeft,
De bruggen krimpen in hun slot, de stenen koelen af,
Dan staan de toeristen nog te kijken, mat en maf.
Roodverbrand en blaar-bedekt dromen ze nog even door,
En de ezels prevelen me toe: “You’re so pretty!” in koor.
Maar ze hebben Amsterdam in feite nooit ontmoet,
Alleen de thermometer gaf ze een veel te warme groet!
Dus als mijn gekke post u niet zo heel erg heeft behaagd,
En u zich afvraagt waarom u met dit rijm bent belaagd,
Stel u voor dat u lag te maffen in de schaduw van een boom,
En beschouw deze verhitte chaos maar als een midzomerdroom!