Het progressieve alibi

Progressieve Alibi

Kunst als sociaal contract

Amsterdam

…de filosofie, de wetenschap en de kunsten dat zijn drie praktijken die bijna per definitie progressief zijn. Anders kun je dat niet beoefenen. En dus vind ik een een een rechtse kunstenaar contradicto in terminus.

Bron: Michiel Lieuwma in gesprek met Rogier Kalhmann (YouTube, 2026)

De ideologische claim

Kunst ontstaat niet uit een partijprogramma. Ze ontstaat waar een mens weigert zich te laten reduceren tot de collectiviteit die hem omringt. Die drang tot autonomie is geen exclusief kenmerk van links of rechts. Klassiek-rechtse waarden, zoals de soevereiniteit van het individu, de achterdocht tegen staatsdwang en het recht om af te wijken van de groepsnorm, vormen juist een natuurlijke voedingsbodem voor artistieke vrijheid. Wie eist dat kunst per definitie aan één politieke kant staat, maakt van de kunstenaar een ambtenaar van de ideologie.

De bureaucratische vallei

Een kunstenaar is in wezen een onafhankelijk ondernemer, niet alleen van materiaal, maar bovenal van ideeën. Hij neemt het risico om zijn visie voor te leggen aan een publiek dat vrij is om er wel of niet door geraakt te worden.

Denk aan de oude Beeldende Kunstenaarsregeling (BKR). Een sociaal gebaar: een kunstenaar die niet van zijn werk kon leven, kreeg een inkomen in ruil voor een kunstwerk. Geen koper, geen publiek, geen frictie met de buitenwereld. Alleen de overheid die verplicht ja zei.

Wat begon als steun, werd een abonnement op een markt die niet bestond. Toen de BKR in 1987 werd stopgezet, lagen er ruim eenentwintigduizend werken op de plank van het Rijk. Niet gekocht omdat iemand ze wilde hebben, maar omdat een regeling het voorschreef. Uiteindelijk moest de staat haar eigen voorraad weggeven of dumpen. Zelfs de overheid begreep dat een voorraad die je moet verzinnen om van je eigen spullen af te komen, geen markt is.

De voorraad

Of een kunstenaar nu leert schilderen voor de wensen van een beleidskader, óf produceert voor de gegarandeerde afname van een loket: in beide gevallen verdwijnt de noodzaak om het publiek te overtuigen. Wie leert schilderen voor het beleid, schildert uiteindelijk het beleid. En wie leert schilderen voor de ideologie, schildert de ideologie.

Wanneer kunst haar kritische autonomie verliest en zich voegt naar de politieke dogma’s van een staat of collectiviteit, dreigt de valkuil van het sociaal-realisme: niet de authentieke vinding van de maker telt dan, maar de mate waarin het werk de goedgekeurde maatschappelijke boodschap verkondigt. De pionier verandert zo in een beheerder van de status quo.

Dit is geen pleidooi tegen overheidssteun. Kunst heeft altijd mecenassen, beurzen en steun in de rug nodig gehad. Maar steun is iets anders dan bezetting.

Zodra kunst haar bestaansrecht niet meer ontleent aan de ontmoeting met een mens, maar aan het stempel van goed gedrag of een gegarandeerde uitkering, verliest ze haar zeggingskracht. En kunst zonder zeggingskracht verandert onherroepelijk in voorraad. Bewaard, goedgekeurd, maar door niemand echt verlangd.

Terug naar het blog →Over IDF →

Hoor het ook eens van een ander...

Mag een rechtse comedian de schouwburg in?Zeker 42.000 kunstwerken in gemeentelijke keldersStedelijk Museum - Freedom is Recognized Necessity