Van het Lieverdje
“Hé gabber, kom effe hier, we moeten konkelfoezen. Ik word er onderhand hoteldebotel van, compleet mesjogge, van wat er allemaal in jouw Mokum gaande is. Een roedel sjacheraars bezorgt me sores; dat geteisem, die kapsones-lijdende penoze, terroriseert de boel alsof het hun achtertuin is.
Een stel achenebbisj gajes, palliwappies nog wel, schoppen stennis, maken heibel, helpen alles naar de gallemiezen alsof het niets is.
En nu staan er elke sabbat van die miesjgassers met een raar kloffie op hun porem, wapperend met vage vaandels alsof ze de wereld moeten versjteren. Die zakkenwassers hadden zelfs de gotspe om mij een gore theedoek om m’n schouders te gooien.
Ik ben al feestelijk aangekleed, beklad, eens gekidnapt, en zelfs door een sjlemiel met sokkel en al omver gereden. Ook heeft geteisem me eens in de hens gestoken, mazzel dat het als openlijke geweldpleging werd gezien; al dat gelul over vrijheid van meningsuiting veranderde daar gelukkig niks aan.
En luister, ik heb nooit te kutkammen gehad met die LHBT-gassies die me op Valentijnsdag in een roze jasje hesen, dat was nog geinig ook.
Maar met deze sijsjeslijmers heb ik niks te schaften. Ik zou ze het liefst een optater verkopen. Die graftakken moeten wieberen, pleite ermee. De smeris mag die klojo’s best eens op hun lazer geven en dat rapalje linea recta de bajes in knikkeren. Ze kunnen de rambam krijgen.”
Sabat shalom, Het Lieverdje