De stad in een doodspiraal
Hier dringen mensen als schimmen door smalle straten, voortgestuwd door elektrische prikkels en zelfverheerlijking. Ze zoeven voorbij in opgevoerde voertuigen, omringd door fake vape shops en lege blikken. Achter elk paar ogen schuilt dezelfde mengeling van angst en verwarring.
Voorbij de eerste ring strompelt een stoet wellustigen voort, meegesleurd door onvoorspelbare winden. Als windhanen volgen ze de rode lijn van vlaggetjes en schreeuwers, zonder kennis, zonder vragen. De massa beweegt, en zij bewegen mee.
In de tweede ring verdringen vraatzuchtige toeristen zich door de koude regen. Ze vreten zich vol aan verbrande suikers en vetgedrenkte verslavingen, kopen oosterse prullaria versierd met lokale folklore. In een wiethol ontwaren ze door de nevel het silhouet van een driekoppig monster dat zwijgend over hen waakt.
Overal liggen straten open als rauwe wonden. Visieloze bureaucratie graaft tunnels zonder bestemming, steekt bruggen opnieuw in brand en laat de stad op wegrottende stelten balanceren. Ondernemers duwen hun stenen tegen elkaar in een eindeloze Sisypheïsche strijd.
Bij de derde grachtenring glijden onze blikken langs gevels waar wrokkige NGO’s, schijnstichtingen en brievenbus-BV’s huizen. Zij vullen hun zakken met geconstrueerde ongelijkheid, handelen in erfschuld en koloniale boetedoening. Koop hier uw zuivering, of verdrink in de rivier van schuld.
Een ring dieper weerkaatst het koper van naamplaten het licht van een bloedrode zon. In deze grachtenpanden als brandende graven huizen socialistische advocaten, zielenhandelaars die hun zakken vullen met staatsgeld en alles ondermijnen wat hen niet dient.
Mijn gast prijst de ogenschijnlijke rust van de omgeving. Ik vertel hem over de zwarte silhouetten van bendes die ’s nachts op jacht gaan, aangevuurd door koortsachtige geesten die geweld verheerlijken. Over het zombiecorps van jongeren dat, aangemoedigd door hun docenten, hun eigen nest vernielt. Over mannen die hun geloof verloochenen, vrouwen vernederen, verkrachten en doden uit vals eergevoel of verstikte frustratie.
We lopen verder. In het blauwe schemerlicht doemt een hoog gebouw op, classicistisch en megalomaan, gebouwd door dwaallichten die bezwijken voor banaal protest en leugenachtige ideologieën. Verderop staan de blokken van de gevestigde media: ze vervormen feiten, verspreiden eenzijdigheid en verbergen angst achter morele zekerheden. Zelfbedrog is hun kern.
Daarna komen we aan bij het meer van culturele verraders: subsidiejagers zonder zelfrespect, bevroren onder een dunne laag ijs, starend naar elkaar in stille paniek. Zij onderschrijven censuur en schijnheilige discriminatie, tekenen in bloed en verkopen hun ziel in donkere kamers die het daglicht niet dulden. Kunstinstellingen, scholen en platforms worden van binnenuit uitgehold tot lege cocons.
In het diepste punt van deze stad zit zij: vastgevroren achter een ivoren muur, met drie gezichten van de rode driehoek. Een koude façade verbergt haar afwezigheid van liefde en warmte, het hart van het verraad. Angst, agressie en zelfvernietiging vloeien hier samen.
Amsterdam is een stad in een permanent Stockholm-syndroom: bestuurders sluiten zich uit angst aan bij de luidste haatzaaiers, bang zelf het doelwit te worden.