Islamocracy
Ik spreek vanuit een toekomst die ooit voorzichtig begon. Met goede bedoelingen. Met zachte woorden. Ik zag misplaatst engagement, selectief activisme en een empathische zelfmoord hand in hand gaan met vooringenomen verdachtmakingen. Er was een verlammende angst voor escalatie, voor het vellen van een ongepast oordeel.
Toen liepen de regels langzaam mijn straten in. Dit keer niet met laarzen, maar met formulieren en via de infiltratie van hetzelfde, terugkerende blinde socialisme. Een systeem dat zich nu heeft verbonden aan een ander, fanatiek dogmatisme.
De vervorming van mijn kinderen is begonnen. Ze worden geïndoctrineerd door een kortzichtig, halsstarrig activisme, verpakt in een jasje van compassie en rechtvaardigheid. In mijn lokalen worden discussies over evolutie ondermijnd door voetnoten. Praktica over voortplanting verhuisden naar gesloten bijlagen ‘om verwarring te voorkomen’. Seksuele segregatie is een feit, stilzwijgend geaccepteerd. In de collegezalen, waar ooit alles mocht worden bevraagd, hangt nu een onuitgesproken volgorde: eerst de norm, dan de vraag. In de geschiedenislessen slaan ze stukken over. Niet omdat ze onjuist zijn, maar omdat ze schuren. Kennis wordt niet verboden, ze wordt afgerond en gearchiveerd. Alleen nog beschikbaar voor hen die de moeite nemen om te zoeken in de catacomben van het vrije denken.
Uit mijn Stedelijk Museum verdwenen werken zonder aankondiging naar een speciaal depot. Geen schandaal, geen debat, slechts het predicaat “tijdelijk niet passend”. Een laatste tentoonstelling, cynisch genaamd ‘De Ongepastheid van het Verleden’, toont de werken in een donkere kelder, als verboden vruchten, alleen toegankelijk voor ingewijden.
Mijn Museumplein is het decor geworden voor hysterische geloofsbetuigingen. In zwarte gewaden, als voor de begrafenis van hun eigen wil en geweten, scanderen ze lijdzaam mee. Een vormloze, donkere massa. Een willoze contaminatie van hun individualiteit, goed verborgen onder alles bedekkende doeken van gehoorzaamheid. In mijn theaters valt geen stilte meer na een goede scène, maar heerst de stilte vóór een mogelijk probleem. Het applaus klinkt alleen nog voor de veilige keuzes.
Kunst bestaat nog, maar als staatsartisan. Uit angst sponsoring mis te lopen, vormt ze zich geruisloos naar de strenge regels van de nieuwe gevestigde orde.
Ik voel mee met de mensen die nergens meer bij horen. Niet bij een geloof, niet bij een gemeenschap, alleen bij mij. Zij merken dat mijn neutraliteit geen veilige plek meer is. Niet tegen zijn, is niet meer genoeg. Je moet vóór zijn.
In mijn cafés wordt minder gezegd. Niet uit angst voor direct geweld, maar voor correctie, voor de aangifte. Vrouwen verdwijnen langzaam uit het straatbeeld, de tap is vervangen door een theeketel. De luiken sluiten eerder. Mijn nachten worden korter, killer. Niet verboden, wel ontmoedigd. De levendigheid is verruild voor een vrome somberheid.
Mijn rechtbank aan de Parnassusweg draait door. De procedures blijven netjes, de dossiers dik. Maar de maatstaf is verschoven naar die van een gewelddadig verleden. Niet iedereen wordt meer hetzelfde behandeld. Intentie is bewijs geworden. Vrijheid bestaat nog, maar onder voorwaarden die nooit helemaal hardop werden uitgesproken.
Ik zie het aan de kleding in het straatbeeld. Niet opgelegd, zeiden ze, maar wel verwacht en dwingend gehandhaafd door de ogen van de massa. Op de pleinen in Nieuw-West wordt de ruimte anders verdeeld. Niet door hekken, maar door blikken. Een mechanische stem dreunt monotoon en dwingend verplichtingen over de daken. Laat er geen misverstand over bestaan: dit is geen democratie meer. Mijn Wallen zijn herbestemd. Niet meer controversieel, maar grijs en administratief. Mijn coffeeshops verdwenen zonder afscheid, alsof ze er nooit echt bij hadden gehoord. De zoete geur van wiet is vervangen door de zware geur van wierook.
Wat ik werkelijk ben kwijtgeraakt is mijn ziel, mijn achteloosheid en het vermogen om tegenstrijdig te zijn. Dit is geen waarschuwing, dat station is gepasseerd. Het is een kille constatering vooruitlopend op de feiten: ik ga onder, tegen wil en dank, en verdwijn langzaam in de anonimiteit van een opgelegde moraal.