In lichtelaaie

Score teller

Brandwonden en geblakerde botten

Amsterdam

Het is nieuwjaarsavond, hij stapt naar voren. Beide voeten iets naar buiten, op schouderbreedte. Hij positioneert zich onder een hoek van vijfenveertig graden ten opzichte van zijn doel. Zijn kraalogen staren in de ogen van een menigte die in mijn licht haar menselijkheid verliest. Dan schiet hij. Hij blijft schieten, perfect geëxecuteerd.

Een alternatieve werkelijkheid heeft zich gemengd met zijn fysieke werkelijkheid in een totale metamorfose. Zijn verkrampte kaken vertrekken zijn aanzicht in een grimas. De zoete kruitdampen werken op zijn speekselklieren en prikken in zijn ogen. Duizend kleuren lichtexplosies. In een opzwepende roes van zijn eigen bloedlust, hormonale overdaad. Op de cadans van de donder en ontlading.

De score teller in zijn HUD loopt springend op in een vloeiende animatie, erotisch pulserend voelt hij zich, de voyeur van zijn eigen fetische fascinatie. De onderdrukkende doodscultus van zijn geloof leidt hem naar de enige exit. In donkere kleding, in derde persoons perspectief, in een donkere wereld.

Zijn wapen is vergroeid met zijn fysiek. Een zware drug bestuurt zijn acties. Hij kijkt bijna schuchter om zich heen, zoekend naar bevestiging of om zichzelf gereflecteerd te zien. Hij zoekt naar een verantwoording voor zijn daad, naar een kwijtschelding, een afbetaalde boetedoening. De schimmen om hem heen zijn met hun telefoons op hem gericht om zijn wandaden te verheerlijken, hun aandachtsgeilheid te verzadigen.

De wereld is piepklein, een kleine donkere doos met kijkgaten. Hij kan geen kant op, hij schaarde zich aan de zijde die een schijnheilig hoger doel nastreeft, hij voelt zich ondergeschikt maar zijn angst voor zijn directe omgeving maakt hem deel van de mechaniek, inwisselbaar.

De mensen in uniform, waar hij zijn vuurpijlen op heeft gericht, vormen een defensieve linie. Een linie tegen opgehitste gekte, hun taak is hun leven. Liever zouden zij deze avond, dit symbolische begin, met mensen die hun na staan vieren. Een toost uitbrengen in de warmte van hun thuis. Hun thuis dat hun taak is te beschermen, maar ze staan aan de grond genageld door protocol, door de meedogenloze empathische ketting van gezag.

Zijn wandaden vormen een steriele teflonlaag, zijn geweten heeft zich teruggetrokken uit zelfbehoud. Zijn menselijkheid is gereduceerd tot een embryonaal stadium, een dier in doodsangst, meedogenloos. Een melancholische moordlust maakt zich van hem meester als een virus, koud zweet prikt in zijn huidplooien, het polyester sportpak plakt aan de binnenkant van zijn dijbeen waar hij zich heeft laten gaan en snijdt in zijn corpulente vleesmassa.

In de irritatie vormt een moment van menselijkheid, even is hij uit zijn doen. Hij ervaart het ongemak van zijn mondmasker, drassig van zijn onregelmatig gehijg. De magie is doorbroken, zijn stance gecorrumpeerd, het ritme is verstoord.

Zijn daad is volbracht, hij verwacht een golf van erkenning, dat zij hem, ondanks zijn pathetische toestand, erkennen, toejuichen. Hun blikken afgewend, in een kleine cirkel kijken ze naar hun scherm en dat van de anderen en maken primitieve geluiden. Hij druipt af, de vernedering is compleet, zijn actie is een holle echo, zijn lichaam haat hem.

In een waggelende gang, zijn blik zoals altijd naar beneden gericht door resten en het vuil. Een onbewaakt ogenblik, hij slipt en landt als een hulpeloze schildpad op zijn rug. Onopgemerkt blijft hij even liggen, leeg en moedeloos.

De volgende ochtend vroeg gaat de deurbel, moeder ziet mensen in uniform. Vanuit de galerij, veroordelende, minachtende blikken, via zijn ouders wordt hij gevraagd of hij met hen wil meekomen. Hij was duidelijk herkenbaar in beeld gebracht en gedeeld, geen misverstand mogelijk.

Diezelfde zwarte nacht wordt getroffen op mijn flank, lange tongen van vuur vreten in mijn vlees. Een toevluchtsoord, een huis voor gelovigen en ketters staat in lichterlaaie. Gesitueerd voor de ingang van de tuin der lusten, een moment van bedachtzaamheid, van contact met een relativerende identiteit waarop zovelen vertrouwen. De zondvloed van bluswater is gekomen, een groot gapend gat direct naar de hemel, het enige dat overblijft zijn balken als geblakerde botten rond de statige muren.

De wond zal genezen, mijn straten zullen worden schoongeveegd, maar dit litteken zal blijven en mij herinneren aan die nacht. Wat een nieuw begin had moeten worden, een klein moment van hoop dat iets uit deze as zal herrijzen.

Corpschef spreekt van crimineel netwerk achter vuurwerk en mitrailleurs Nieuwjaarsavond verwoest Vondelkerk Brand Vondelkerk