Usyless
Knarsend trekken zijn banden een spoor door de licht bevroren sneeuwlaag. Behoedzaam, met een stille maar concrete vrees, heeft hij besloten het voetpad te verkiezen boven het asfalt, geglaceerd met een verraderlijke ijsfilm. Voor hem liggen de verharde sporen van illustere voorgangers die hetzelfde besluit namen. Hun lot onbekend. Slingerend probeert hij deze uitgeslepen paden te ontwijken. Alles lijkt zich tegen hem gekeerd te hebben.
Boreas blaast. Volhardt. Hij zet door, gedreven door doel en roeping. De hemel hangt ijzergrijs boven hem: dreigend, zelfgenoegzaam, meedogenloos. Een fijne nevel van waterkristallen dwarrelt, versnelt, draait in vlagen, onvoorspelbaar en vilein speels. Ze kleven zich vast aan zijn kleding als een dodelijke schimmel die een organisme langzaam overneemt.
Dan lonkt het verschoonde pad. Het spiegelt licht zonder bron. Strak, rechtlijnig tekent het zich af. Wantrouwig vervolgt hij zijn weg, nog onwennig van de beproeving. Het verkruimelde knarsen maakt plaats voor een sissend, zuigend geluid. De weg strekt zich af als een zwarte slang door het diorama van een sneeuwbol.
Zijn houding verandert. Hij ontspant. De tred versnelt zich uit euforie. Gretig maakt hij gebruik van deze onverwachte gunst. Tot de lucht zich verdicht en een gestalte opdoemt. Scherpe lijnen torenen boven hem uit. Eén oog brandt hel oranje. Voor hij begrijpt wat zich voltrekt, kleurt het bloedrood en staart dreigend op hem neer.
Hij kan niet anders dan tot volledige stilstand komen. Alles is gericht op het verkorten van zijn remweg. Niet angstig, maar vastberaden staat hij met beide benen op de grond geankerd. De reus kalmeert. Knipoogt vriendelijk groen, alsof hij toestemming verleent. Hij gehoorzaamt en zet zijn reis voort.
Vele reizen met hem. Ieder zijn eigen pad, zijn eigen doel of roeping. Hij passeert pelgrims die devoot hun tocht volharden. Bevlogen zielen die met misplaatste bravoure voorbijschieten. Langs zwarte bomen en de oevers van gestolde grachten, stil, donker, grenzeloos. Brugwachters staan paraat, betaald om overgangen te bewaken, wachtend op haar terugkomst.
Dan zwelt een klaagzang aan. Luidkeels huilend scheren rood-blauwe lichten langs hem heen. Ze weerkaatsen op gladde oppervlakken, flitsen door de leegte. Hun gezang vertelt over rampspoed, pijn en angst. Het verhaal zal hij nooit kennen, maar zijn gedachten krijgen vrij spel. Tragiek projecteert zich op zijn naasten. Een huivering trekt door zijn lichaam. Hij knijpt zich vast aan zijn stuur en vervolgt, licht aangeschoten, zijn pad.
Wanneer hij aankomt, openbaart zich geen thuishaven maar een functionele leegte. Een hol paleis van staal en beton, hermetisch afgesloten van alles wat ademt. De ruimte resoneert dof, alsof geluid hier zijn betekenis heeft verloren. Geen echo van heldendom, geen erkenning van afgelegde afstand, slechts vierkante meters in beheer.
Verlopen, tot schim gereduceerd door wind en ijs, meldt hij zich. Geen woorden, geen uitleg. De tocht behoeft geen verslag. Hij overhandigt zijn codex. Een hand verschijnt, neemt aan, weegt niet.
De priesteres kijkt niet op. Haar blik glijdt langs hem heen, op zoek naar bevestiging elders. Een scherm licht op. Een nummer wordt gevalideerd. Een status wijzigt van onderweg naar afgehandeld.
Er volgt geen dank, geen vraag, geen afscheid. De overdracht is correct uitgevoerd. De reis administratief beëindigd.
Buiten woedt de winter nog altijd, onverschillig. Binnen wordt hij overbodig.