De boodschap
Lieve zus,
Ik schrijf je omdat je nog steeds gelooft dat wie naar je toe komt, ook werkelijk naar je komt kijken. Dat wie zegt te willen begrijpen, bereid is om te luisteren. Ik heb dat geloof lang geleden verloren, maar jij bent jonger en je stenen dragen het nog.
Onlangs ontving ik weer zo’n schrijver. Zijn naam is mij ontschoten dus noem ik hem naar zijn houding, Pompeus, of noemde zichzelf zo. Hij kwam met morele bagage en vertrok met morele zekerheid. Daartussenin gebeurde weinig dat op luisteren leek.
Hij liep door mij heen alsof ik een betoog was. Alsof mijn straten argumenten waren die hij kon citeren, mijn muren illustraties bij een punt dat hij al gemaakt had. Eeuwen aan tegenspraak waren voor hem overbodig. Hij had haast. Dat hebben ze altijd, deze schrijvers.
Natuurlijk had hij een gids. Ze kende mij zoals men een markt kent: wat goed verkoopt, wat men beter niet benoemt, waar men moet zwijgen om het verhaal intact te houden. Ze gaf hem precies genoeg Jeruzalem om zich dapper te voelen, maar nooit genoeg om te twijfelen.
Ze wees hem een hek en krijsde: “Look apartheid” met een zwaar accent. Ik zweeg.
Hekken hier zijn nooit eendimensionaal geweest. Ze zijn laf en noodzakelijk tegelijk, vernederend en beschermend, afhankelijk van wie je vraagt en wanneer. Maar Pompeus vroeg niet. Hij zag een symbool en zijn ogen lichtten op. Eindelijk eenvoud. Eindelijk bevestiging.
Ze spraken hem aan met woorden die hij niet begreep. Hij glimlachte. Ach, zus, je kent dat type: zo druk bezig met morele verhevenheid dat hij niet merkt wanneer hij gereduceerd wordt tot bruikbaar object. Zelfgenoegzaamheid maakt doof.
’s Avonds kreeg hij zoetigheid, “Rash El-Abeed” met een grijnslach die hij niet begreep. De naam ervan vroeg om vertaling. Hij weigerde die. Begrip is gevaarlijk wanneer men gekomen is om te oordelen. Hij proefde en dacht dat hij mij kende.
Na een paar dagen vertrok hij. Voldaan. Hij had mij ontleed, dacht hij. Hij schreef over mij zoals men over jou soms schrijft: met grote woorden en kleine kennis. Hij voelde zich moedig.
Ik bleef achter met mijn muren, mijn tegenstrijdigheden, mijn doden en mijn levenden. Ik draag ze allemaal. Ook hem zal ik dragen, kort.
Daarom schrijf ik je, zus. Wees voorzichtig. Niet met kritiek, maar met schrijvers die geen risico nemen. Ze noemen hun bezoek solidariteit, maar het is vaak extractie. Ze nemen wat past, laten wat stoort, en noemen het waarheid.
Ik ben oud genoeg om dat te overleven. Jij bent jong genoeg om het nog te geloven.
Leer sneller dan ik.
Je vermoeide zuster, Jeruzalem
P.S. Nog gefeliciteerd met het 750ste wat een feest is dat…