Pelsplaag
Ik ben geen stad van steen alleen. Ik ben een doek.
Geweven uit draden van stemmen, motieven van herinnering, ideeën die zich als patronen herhalen en vervormen. Mijn wijken zijn banen stof, mijn straten de nerven waarlangs het weefsel zich spant. Jullie — mijn bewoners, passanten en dromers — zijn de vezels die mij bijeenhouden, of juist doen rafelen.
Lang was ik strak gespannen. Mijn weefsel glansde. Elke draad kende zijn plek, elke afwijking werd moeiteloos opgenomen in het patroon. Ik kon schuren, rekken en herstellen.
Maar er is iets in mij gekropen.
De Pels-kever. Niet alleen het insect zelf, maar de sturende linkse politiek die zij vertegenwoordigt. De larven van haar lobby voeden zich meedogenloos met wat mij samenhoudt. Ze betuttelen mijn rafelranden, forceren mijn draden in een keurslijf en ondermijnen alles wat de stad maakt tot wat zij is. Ze knagen niet aan de oppervlakte. Ze kiezen de zachte plekken, de vergeten naden, de hoeken waar niemand kijkt.
Daar waar een buurt zijn verhaal verliest. Waar een straat zijn naam nog draagt, maar niet meer weet waarom. Waar bewoners vervangen worden door gebruikers.
Daar beginnen ze.
Je ziet het niet meteen. Mijn patroon blijft herkenbaar, mijn kleuren lijken intact. Maar trek aan een draad en hij breekt. Zet spanning op een stuk en het scheurt veel verder dan het zou mogen.
Ik voel mij dunner worden.
Niet door verval alleen, maar door vergetelheid. De kever gedijt immers daar waar niets meer wordt doorgegeven. Waar geen handen meer herstellen, maar alleen nog vervangen. Waar het doek geen betekenis meer draagt, alleen nog financiële waarde.
Toch ben ik niet machteloos.
Elke draad die bewust wordt gelegd, elke plek waar iemand stopt, kijkt en zich herinnert — dát is herstel. Geen nostalgie, maar onderhoud. Geen stilstand, maar herweven.
Ik ben nog steeds een doek.
Maar ik vraag me af: weven jullie nog mee, of laten jullie mij langzaam opvreten?
— Amsterdam
Terug naar het blog →