Mooi Naatje
Ze stond hier ooit. Pal tegenover het Paleis. Bijna vier meter aan Nederlandse trots in steen, opgericht in 1856 ter ere van de eendracht van de natie. Officieel heette ze De Eendracht. Maar ik noemde haar al snel Naatje.
Naatje van de Dam.
Ze was bedoeld als symbool. De Nederlandse Maagd. Onverzettelijk. Onsterfelijk. De ultieme belichaming van de volksgeest. Een groot gebaar, een groots beeld vol grootse bedoelingen — je verliest al snel de werkelijkheid uit het oog als je jezelf te serieus neemt.
Maar Naatje had een wezenlijk probleem.
Ze kon niet tegen de regen. Ze kon niet tegen de vorst. En ze kon al helemaal niet tegen het gewone, gure Amsterdamse weer dat al eeuwen meedogenloos over mijn kades blaast. Terwijl ze vanaf haar sokkel stond te verkondigen hoe groot en eensgezind de natie wel niet was, brokkelde ze langzaam af. Haar neus viel eraf, haar stenen schilferden; ze verkommerde in weer en wind. De glorie van de natie verging letterlijk in haar eigen ijdelheid.
Ik heb dat hier wel vaker gezien.
Tegen 1914 was de maat vol. De tramsporen op de Dam moesten worden verlegd. En dus moest Naatje wijken. Niet voor een mooier monument, noch voor een waardiger opvolger. Gewoon. Voor de elektrische tram. Voor de zogenaamde vooruitgang.
Mijn volk reageerde natuurlijk zoals mijn volk altijd reageert op hoge bomen: niet met rouw, maar met een liedje.
Nu gaat Naatje van de Dam, zij moet vertrekken voor de Electrische Tram.
Ik houd van mijn mensen. Ze weten instinctief wanneer iets of iemand onherstelbaar voorbij is.
En dit is het mooiste van alles: Naatje heeft nooit werkelijk bestaan. Er was een pompeus beeld, ja. Maar Naatje — de vriendin van de Dam, de volksheldin, het wijf met de geuzennaam — die kwam simpelweg van de straat. Ik gaf haar een naam, een karakter en schreef haar een jofel afscheidsliedje. En toen ze verdreept was, bleef haar naam hangen.
Dat is hoe ik sinds jaar en dag afreken met opgeblazen ego’s en sterallures in de binnenstad. Ik geef ze een koosnaampje. Ik laat ze rustig in de regen afbrokkelen tot er niets van overblijft. En als het hun tijd is om te vertrekken, zing ik ze uit.
Sommige dingen veranderen niet hoor.
Naatje heeft immers nooit bestaan, maar haar naam kent iedereen.
En dat zegt meer over mij dan welk stenen monument ooit zou kunnen.
— Amsterdam
Terug naar het blog →