Gouden jaren

De oude stad in het beklaagdenbankje

Amsterdam

De laatste tijd word ik steeds vaker aangesproken op mijn verleden. Dat klinkt logisch voor een stad van mijn leeftijd, ware het niet dat men tegenwoordig lijkt te verwachten dat ik me er ook schuldig over voel. Niet slechts begrip voor de schaduwkanten van vervlogen eeuwen, maar een oprechte schuldbekentenis namens iedereen die ooit binnen mijn grenzen heeft geleefd, gehandeld, gebouwd of gereisd.

Ik moet bekennen dat ik moeite heb dit te begrijpen.

Wanneer ik terugdenk aan de eeuwen waarin ik uitgroeide van een modderige nederzetting tot een wereldstad, herinner ik mij vooral bedrijvigheid. Mijn kades lagen vol schepen, mijn markten vol talen en mijn straten vol mensen die iets zochten wat zij thuis niet konden vinden. Rijkdom, vrijheid, avontuur, kennis, handel of eenvoudigweg een betere toekomst. De wereld kwam naar mij toe en ik reikte haar de hand.

Dat die tijd niet volmaakt was, zal niemand ontkennen. Geen enkele eeuw was dat. Toch lijkt het tegenwoordig gebruikelijk om het verleden te behandelen als een misdrijf waarvan de uitspraak pas eeuwen later wordt gedaan. Men neemt de normen van vandaag, reist daarmee terug in de tijd en verklaart vervolgens met grote stelligheid wat iedereen toen had behoren te weten.

Het blijft een opmerkelijke vorm van wijsheid, die uitsluitend achteraf bestaat.

Soms vraag ik mij af of de belangstelling voor mijn verleden werkelijk voortkomt uit historisch begrip of uit een diep verlangen naar morele zuiverheid. Alsof iedere generatie opnieuw behoefte heeft aan een erfzonde en, bij gebrek aan een persoonlijke misstap, haar toevlucht zoekt tot de geschiedenis. In mijn omgeving heeft dat altijd iets vertrouwds gehad. Het calvinisme mag dan uit het straatbeeld zijn verdwenen, het schuldgevoel lijkt nog altijd kerngezond.

Waar vroeger de biechtstoel stond, staat nu het informatiebord. Waar ooit vergiffenis werd gezocht, wordt nu bewustwording nagestreefd. De rituelen veranderen, de behoefte blijft dezelfde.

Intussen merk ik dat mijn bewoners steeds meer tijd besteden aan het veroordelen van hun voorgangers en hen steeds minder proberen te begrijpen. Het verleden wordt niet onderzocht om te ontdekken hoe mensen leefden, maar om vast te stellen aan welke hedendaagse maatstaf zij niet voldeden. Het resultaat is een merkwaardige voorstelling waarin de doden voortdurend terechtstaan, de levenden zich namens hen verontschuldigen en ikzelf als decor dienstdoe.

Dat vind ik jammer.

Niet omdat mijn geschiedenis geen donkere bladzijden kent, maar omdat zij meer is dan dat. Zij bestaat uit ondernemingszin en dwaasheid, moed en hebzucht, ontdekking en vergissing. Uit alles wat mensen altijd al heeft gekenmerkt. Wie uitsluitend naar de schaduw kijkt, begrijpt uiteindelijk even weinig van het verleden als degene die alleen het licht wil zien.

Misschien ben ik ouderwets geworden. Dat risico loop je op mijn leeftijd.

Maar wanneer ik langs mijn grachten kijk, zie ik geen plaats die zich zou moeten schamen voor haar bestaan. Ik zie een stad die eeuwenlang een spiegel van de mens is geweest. En zoals iedere spiegel toont zij soms fraaie en soms minder fraaie beelden, zonder daarvoor zelf verantwoordelijk te zijn.

Terug naar het blog → Over IDF →

Hoor het ook eens van een ander...

The Embarrassment of RichesKritiek op ban Gouden Eeuw: Rijksmuseum handhaaft de termAmsterdams VerledenOudste wapen Amsterdam