Gedogen en mededogen
Bewoners, bezoekers, gasten, genodigden, profiteurs en uitvreters. Sommigen verrijken de stad, anderen verrijken enkel zichzelf. Sommigen bouwen op, anderen buiten me uit. Met sommigen voel ik me diep verbonden, van anderen ben ik volstrekt vervreemd; nestbouwers en nestbevuilers lopen dwars door elkaar heen. Ik heb geen invloed op wie mijn straten bevolkt; ik bied een plek, een onderkomen, een thuis.
Ik beschouw ze, ongeacht hun mentaliteit of gedrag, hun opvattingen of ideeën, met een gelijkmoedigheid die ergens balanceert tussen gedogen en mededogen. Zo ben ik altijd geweest. Zo blijf ik.
Onder het credo ‘leven en laten leven’, leven de meesten in een soort harmonie. Natuurlijk zitten er rotte appels tussen: haatzaaiers, vernielers, kampioenen van de dubbele standaard, die het liefst verdeeldheid zaaien waar geen grond voor is.
Perzen
Een kleine maar trotse groep draagt een last die de meeste van mijn bewoners zich nauwelijks kunnen voorstellen. Ze zijn gevlucht. Niet voor armoede of uit zucht naar avontuur, maar voor een onderdrukkend, fascistisch-religieus systeem dat hun land heeft gekaapt. Ze kwamen naar mij. En wat trof hen hier?
Mijn eigen bestuur. Laf, zelfverloochenend, met de eigen navel als echokamer. Een gesloten kring die niet in staat is deze mensen te beschermen tegen hetzelfde kwaad dat langzaam ook mijn eigen vrijheid aantast. Ze spreken áán hen. Ze spreken óver hen. Ze pretenderen námens hen te spreken, geenszins gehinderd door enige kennis van zaken, en preken hooghartig en zelfingenomen.
Plaatsvervangende schaamte voor deze onnozelen maakt zich van mij meester.
Zijde
In mijn Gouden Eeuw kwamen de mooiste stoffen ter wereld mijn haven binnen. Uit het land van Duizend-en-een-nacht: zijde. Roversverhalen en magische vertellingen vol oosterse mystiek reisden mee als verstekelingen in de balen stof.
Gesponnen uit de cocons van miljoenen zijdewormen, manifesteerde deze oriëntaalse, haast magische stof zich op mijn kades. Mijn Amsterdammers stonden er verstomd bij. Nooit hadden hun ogen zoiets aanschouwd: zachter dan het duurste katoen, sterker dan het fijnst gevlochten linnen. Een bijna buitenaardse weelde.
Dat verre land heeft altijd een warm plekje in mijn hart gehouden. Dat is nooit verdwenen. Het is alleen, hopelijk tijdelijk, bezet door duisternis.
Ik spreek mijn hoop uit, luid en zonder voorbehoud, dat de Perzen in mijn midden ooit bevrijd zullen worden van het systeem dat hen verdreef. Dat het land van de zijde, van de mystiek, van Duizend-en-een-nacht, zichzelf zal terugvinden.
Tot die tijd: wees welkom. Jullie horen hier.
Terug naar het blog → Over IDF →