Fabelachtig
In een stil hofje achter de gevels van een van mijn vele grachten leefde een krekel die zichzelf beschouwde als het geweten van de stad. Terwijl de mieren door weer en wind hun winkels openden, goederen vervoerden en de fundamenten van de oude koopmansstad overeind hielden, zat hij op een verweerde bloempot toespraken te houden over rechtvaardigheid, klimaatschuld en de noodzaak van eindeloze solidariteit.
De krekel werkte zelden, maar sprak des te meer. Hij organiseerde bijeenkomsten over inclusieve vergroening, schreef petities tegen welvaart en vond dat iedere grens een vorm van onderdrukking was. Waar vroeger de grachten gevuld waren met handelaren, ambachtslieden en pragmatische bestuurders, wemelde het inmiddels van ambtenaren die zich liever bezighielden met morele zuiverheid dan met de vraag of de stad nog functioneerde.
Toch was de krekel niet kwaadaardig geboren. In zijn jonge jaren geloofde hij oprecht dat de wereld met voldoende empathie, subsidies en goede bedoelingen vanzelf vreedzaam zou worden. Maar ergens, diep onder het oppervlak van de stad, had zich een kleine parasiet in hem genesteld.
Zoals sommige wormen zich meester maken van het brein van een insect en het langzaam richting het water sturen waarin het zal verdrinken, zo had ook deze onzichtbare besmetting bezit genomen van zijn geest. Langzaam verloor de krekel ieder instinct voor zelfbehoud. Alles wat ooit stevig en verstandig leek, begon hij te wantrouwen; alles wat zijn eigen wereld kon ondermijnen, begon hij te bewonderen.
Wanneer de mieren hem waarschuwden dat een samenleving niet kan bestaan zonder orde, grenzen en wederkerigheid, antwoordde hij dat veiligheid slechts een vorm van uitsluiting was. Wanneer geweld de stad binnendrong, sprak hij liever over oorzaken dan over daders. En hoe zichtbaarder de gevolgen werden van zijn overtuigingen, hoe fanatieker hij zich eraan vastklampte.
Op een avond, terwijl de regen zachtjes in de gracht viel, zagen de mieren hoe de krekel langzaam naar het donkere water liep. Hij sprak nog steeds over menselijkheid, over mededogen en over de noodzaak zichzelf weg te cijferen voor hogere idealen. Daarna sprong hij zonder aarzeling de gracht in.
De worm kroop uit zijn lichaam en verdween in het water van de stad, op zoek naar een volgende gastheer.
De mieren zwegen.
Want zij begrepen dat mededogen zonder gezond verstand niet meer is dan een dure uitnodiging om samen te verdrinken. En zo leerden zelfs de mieren opnieuw wat deze stad al zevenhonderdvijftig jaar weet: wie zijn eigen fundamenten doorzaagt uit naastenliefde, hoeft niet te rekenen op ons medelijden wanneer hij zinkt.
De analogie van de krekel en de paardenhaarworm verwijst naar een biologische metafoor die door evolutionair gedragswetenschapper Gad Saad wordt gebruikt om ideologische besmetting en “suicidal empathy” te beschrijven.
Terug naar het blog → Over IDF →