Eulogie

Epitaaf

In Memoriam: de autonomie

Amsterdam

Ik, Amsterdam, sta vandaag niet voor een opening, maar voor een afscheid. Geen lint, geen champagne, geen catalogus met dankwoorden. Dit is een eulogie.

De beeldende kunst is overleden. Niet plotseling, niet schokkend. Een lange, zichtbare aftakeling, gevolgd door een zorgvuldig uitgesteld einde. Jarenlang kunstmatig in leven gehouden, omringd door infusen van subsidies, juryrapporten en morele rechtvaardigingen. Tot zelfs de palliatieve zorg werd stopgezet. Niet uit wreedheid, maar uit mededogen.

Laten we het jargon dit keer achterwege laten. Geen obligate citaten van Franse filosofen om de leegte te maskeren. Geen curator-proza dat onbegrip ventileert als diepgang. De werkelijkheid is simpeler dan de theorie: We delen slechts een collectief gevoel dat al te lang werd genegeerd: het lichaam ligt stil, de ogen zijn gesloten, de hand is koud.

Van de dode niets dan goeds, zegt men. Maar men vergeet erbij te zeggen dat ook eerlijkheid een vorm van respect is.

De beeldende kunst heeft haar relevantie verloren. Niet door vijandigheid van buitenaf, maar door verstarring van binnenuit. Ze is geen roeping meer, maar een bedrijfstak. De kunstenaar is geen ziener meer, maar een flexibele leverancier. Elke poging om zich te redden met “nieuwe media”, “immersieve ervaringen” of “hybride praktijken” was niet visionair, maar opportunistisch.

Ik heb haar lang gekend. Ik heb haar groot zien worden, brutaal, onmisbaar, gevaarlijk zelfs. Maar ook laf zien eindigen, berekend, bang om iemand te kwetsen behalve zichzelf.

Musea, de mausolea

Het Stedelijk Museum. Een naam zo leeg dat hij zichzelf weerspiegelt. Een moederschip van een verloren generatie, drijvend zonder koers. Moreel hoogstaand in taal, maar inhoudelijk zielloos. Lafheid vermomd als nuance. Angst voor broodroof vermomd als engagement. Berekening gepresenteerd als moed.

Het Rijksmuseum. Geen museum meer, maar een attractie. Een mausoleum met tijdslots en onbetaalbare entrees. Een rariteitenkabinet waar dode kunst wordt opgesteld als cultureel vastgoed. Een kijkshop van een tijdsbeeld dat zichzelf verwart met geschiedenis.

Het Van Gogh Museum. Een macabere kermis. Een tempel voor lijkenpikkers en boetedoening. Het Van Gogh-syndroom als verdienmodel: in elke kunstenaar schuilt de nieuwe martelaar. De zelfgeobsedeerde narcist achter het museumglas, ontspiegeld, krasvrij en UV-werend. Gereduceerd tot koekblikdecoratie, thee-servies, totebags en toys. Hapklare brokken sentiment, gedrenkt in misplaatste nostalgie. Huilen mag, zolang je maar via de Museumwinkel naar buiten loopt.

Kunstprijzen, de herstelbetalingen

Jury’s zonder noodzaak, zonder risico. Bezigheidstherapie voor mensen die elkaar al jaren kennen. Een sekte die haar eigen mythologie onderhoudt. Volledig wereldvreemd, angstig, afhankelijk van lobby’s en gunsten. Elitaire hobby’s vermomd als maatschappelijke daadkracht.

Prijzen zijn geen erkenning meer, maar herstelbetalingen. Tokens en totems. De illusie van inclusie zonder confrontatie. Kapitaalvernietiging als morele pose.

Subsidies, het infuus

Het subsidiesysteem is geen balsem meer. Het is een druppelinfuus voor een lichaam dat niets meer opneemt. Een hartpomp voor een hersendode. Een defibrillator voor een zombiecircus.

Strikte normen die ongenadig discrimineren in naam van inclusiviteit. Wie niet past in het format, krijgt geen geld. Institutionele repressie vanuit een bevooroordeeld, eenzijdig wereldbeeld. Laf conformisme, zorgvuldig verpakt in beleidsjargon. Palliatieve zorg voor dwaallichten die niet mogen sterven omdat het systeem zichzelf in stand moet houden.

Galeries, de winkels

Hooghartige kunstwinkels. Façades van elitaire zelfingenomenheid. Showrooms voor middelmatigheid. Séances voor ingewijden die wereldvreemdheid verwarren met diepgang. Kunstenaars als handelswaar, ideeën als gimmicks. Een eindeloze herhaling van hetzelfde gebaar, dezelfde ironie, dezelfde leegte.

Kunstopleidingen, de gestichten

De kunstopleiding: een contradictie in termen. Longstay-afdelingen voor patiënten die hun eigen genezing vrezen. Overgeleverd aan zachte heelmeesters die stinken naar bederf. Schoktherapie en lobotomie om de verbeelding eruit te branden. Na vier jaar strompelen ze naar buiten: zombies met een diploma, genezen van elke oorspronkelijkheid.

Slot

Het vraagt geen filosofische moed om dit te zeggen, slechts open ogen. Ik verklaar de beeldende kunst dood, verworden tot een industrie die haar eigen makers opvreet.

Niet uit haat. Niet uit triomf. Maar omdat er een moment komt waarop blijven doen alsof wreder is dan loslaten.

We nemen afscheid. We verdelen de erfenis. We koesteren de herinnering.

En daarna laten we de plek leeg. Niet om haar te vullen met iets nieuws, maar om eindelijk weer ruimte te maken voor iets dat nog niet weet wat het is.

— Amsterdam

Terug naar het blog →
Stedelijk Museum Rijksmuseum Van Gogh Museum Prix de Rome Amsterdams Fonds voor de Kunst Rijksakademie Gerrit Rietveld Academie Exit Through The Gift Shop