Bruinpoeder

Het Droste effect

Voedsel voor de goden

Amsterdam

Het was 1628. De vloot van Piet Hein liep mijn haven binnen, ruim gevuld met buit uit de Nieuwe Wereld. Tussen het blinkende zilver zat iets anders verstopt. Donker. Korrelig. Onopvallend.

Bruin poeder uit West-Indië.

Ruw, bitter, onbekend. Niemand wist precies wat ermee te doen. Maar ik rook meteen dat dit spul zou blijven hangen.

In Parijs gold het als afrodisiacum. De Markies de Sade gebruikte het om lustige intenties te verhullen. Casanova dronk het samen met champagne om de dames te verleiden. Madame de Pompadour en Madame du Barry gebruikten het in hun slaapkamers — de eerste om er opgewonden van te raken, de tweede om haar minnaars te stimuleren.

In 1745 dook de eerste naam op. Casper Flick, een man die zonder schroom openlijk adverteerde in mijn kranten. Hij verkocht het verstopt in koekjes en gebak; het ‘flikje’. Een zachte introductie. Je merkte de werking pas nadat je al gewend was geraakt.

Dat is altijd het handigste.

In 1815 vestigde Van Houten zich aan de Leliegracht. Ogenschijnlijk een nette onderneming. Maar iedereen die ertoe deed, wist dat hier aan zuiverheid en dosering werd gesleuteld. In 1828 vond Casparus Sr. de methode: het vet persen uit de ruwe massa. Het proces werd verfijnd door zijn zoon, de chemicus Coenraad Johannes. Wat overbleef was een fijner poeder. Geconcentreerder. Sterker van werking. Makkelijker te vervoeren, makkelijker te snijden met andere stoffen.

Aan de overkant begonnen de broers Van Blooker al in 1813 hun handel. Verkade volgde in 1886. Concurrenten? Formeel. Maar bovenal schakels in hetzelfde distributienetwerk.

Van ruw product naar zuiver poeder.
Van poeder naar gewoonte.
Van gewoonte naar niet meer zonder kunnen.

In de tweede helft van de negentiende eeuw ging het hard. Stoommachines draaiden dag en nacht langs het IJ en de Zaan. Fabrieken produceerden tonnen bruin stof voor de wereldmarkt. Kinderen kregen het. Zieken kregen het. Apothekers schreven het voor als versterkend middel.

Men sprak over troostrijk. Opwekkend. Onmisbaar.
Niemand sprak over afhankelijkheid.

Ik zag hoe het salonfähig werd. Hoe wat eens smokkelwaar was, gewone handelswaar werd — verkrijgbaar in kleine gespecialiseerde winkeltjes, netjes verpakt, in vaste porties.

Gedoogd?
Ik deed meer dan dat.
Ik faciliteerde.

In de jaren tachtig en negentig beleefde het bruine poeder een nieuwe bloei. Industriële schaal. Wereldwijde aanvoer. Marketingcampagnes die wervingsposters deden denken. Suiker erdoor. Melkvet erdoor. Smaakstoffen erdoor. De werking subtieler dan vroeger, maar hardnekkiger. Minder bitter. Makkelijker te slikken. Voor iedereen bereikbaar.

Het spul was inmiddels volledig opgenomen in het commerciële kapitalistische systeem. Beschikbaar op feestjes als smeermiddel, als beloning, als zoethoudertje. Uitgebreide keuzes in elke prijsklasse, in uiteenlopende percentages van zuiverheid. Verkrijgbaar bij elke drogist, tankstation en luchthaven. Online te bestellen in bulk.

Verslavend? Dat woord gebruikte men liever niet. Men zei: intensely craveable.

Ik heb ergere stoffen zien komen en gaan. Sommige verwoestten levens openlijk. Dit deed het vriendelijk. Sociaal. Feestelijk zelfs. Met zilverpapier eromheen.

Het kwam als oorlogsbuit mijn haven binnen.
Het werd mijn grootste exportproduct.
Mijn handelsgeest pakte het in, perste het, veredelde het, en verkocht het aan de halve wereld.

En nu?

Nu noem ik het bij zijn naam.

Cacao.

Mijn oudste bruine verslaving.

Terug naar het blog →
Cacao uit Amsterdam en omstreken Chocolade-imperium Chocoladefestival Amsterdam